Naamgeving

VOGELSPINNEN NAAMGEVING & ANATOMIE

 1.1. Indeling en taxonomie

Al heel vroeg in de wetenschappelijke geschiedenis was er behoefte aan een systeem om de levende organismen uit ‘de wildernis’ ordentelijk te plaatsen. Er werden namelijk talloze ontdekkingen gedaan van de meest uiteenlopende diersoorten afkomstig van de verste uithoeken op aarde. Door onder andere de theorieën van Charles Darwin (1809-1882), over het ontstaan en de evolutie van soorten, kwam men tot een beter inzicht in deze materie en werden taxonomie en systematiek (de naamgeving en indeling van planten en dieren) aparte vakgebieden binnen de biologie. In deze indeling worden dieren met hun overeenkomstige kenmerken en verwantschapsrelaties in groepen geplaatst. Telkens worden de overeenkomstige kenmerken én hun verwantschapsrelaties groter. Met andere woorden; de dieren met logische overeenkomsten in bouw en vorm worden bij elkaar geplaatst. Zo’n groep wordt taxon genoemd (meervoud taxa). Het toekennen van namen en indelingen gaat volgens strikte regels en veelal internationale afspraken. Voor de meeste diergroepen zoals de vogels, zoogdieren, reptielen, vissen en amfibieën staat hun taxonomische indeling en naamgeving al vele tientallen jaren grotendeels vast. Door onderzoek aan DNA komt het echter voor dat ook binnen deze diergroepen grote en kleine veranderingen voorkomen. Er zijn dan ook veel wetenschappers die er hun eigen indeling op na houden. Dit verklaart het bestaan van de vele systemen en (onjuiste) namen in literatuur en publicaties. Dat is niet zo verwonderlijk omdat nog veel werk op het gebied van ongewervelde dieren moet worden verricht. De ongewervelde dieren bijvoorbeeld vormen ruim 95% van alle beschreven diersoorten (pers. med. Peter Koomen), en nog dagelijks worden nieuwe soorten toegevoegd. Voor iedere soort (plant of dier) is een vaste rangorde opgesteld.In de praktijk komt men in het jargon voor de vogelspinnenliefhebberij voornamelijk de naamgeving vanaf het zgn. ‘familieniveau’ tegen.

 1.1.1. Stam en onderstam

Vogelspinnen behoren tot een groep gekenmerkt door poten die uit aan elkaar geschakelde delen (segmenten) of geledingen bestaan. Alle zgn. geleedpotigen behoren tot dit eerste taxon; de Stam. Hier kunnen we al het eerste onderscheid maken kunnen we alle vertegenwoordigers en de Stam verdelen in vijf groepen of onderstammen:.

  1. Crustacea (kreeftachtigen): twee paar antennen, drie paar monddelen, variabel aantal poten;
  2. Myriapoda (duizendpootachtigen): één paar antennen, drie paar monddelen, variabal aantal poten;
  3. Hexapoda (insectachtigen): één paar antennen, drie paar monddelen, drie paar poten;
  4. Pycnogonida of Pantopoda (zeespinnen): geen antennen, nul tot twee paar monddelen, vier tot zes paar poten en nog een extra paar eidraagpoten, meestal alleen bij de mannetjes
  5. Chelicerata (spinachtigen): geen antennen, twee paar monddelen, vier paar poten.

De Chelicerata (afgeleid van de Griekse woorden chèlè-klauw en keras-hoorn), omvatten alle geleedpotigen, met het spinachtige uiterlijk en die in het bezit zijn van duidelijke kaken om prooidieren te grijpen. Meestal wordt het Nederlandse woord ‘kaak’ gebruikt voor de bijtende/kauwende ‘mandibels’ zoals bij kreeftachtigen, duizenpootachtigen en insecten. Ook wel samengevat als Mandibulata = kaakdragers, maar niet bij spinachtigen, die hebben cheliceren.

 1.1.2. Klasse en orde

De Chelicerata omvat onder andere de Klasse van de spinachtigen (Arachnida). De spinachtigen zijn op hun beurt weer op te delen in minstens negen kleinere groepen; de Ordes. Lang niet elke bespreking van een orde is van belang voor de vogelspinnenliefhebber. Toch treffen we in de terrariumcultuur regelmatig leden van andere ordes aan, vandaar slechts een korte omschrijving.  Op dit niveau van de naamgeving hebben we uitsluitend te maken hebben met spinachtigen die aan het leven op het land zijn aangepast en meestal zijn voorzien van boeklongen; lamelachtige plaatjes in het achterlijf die de zuurstofopname voor het dier mogelijk maken. Leden van de orde van de schorpioenen (Scorpiones) hebben een geleed lichaam, de tasters zijn tot scharen gevormd. Tenslotte hebben ze een duidelijke, gesegmenteerde staart die van een giftige stekel is voorzien. Op het eerste gezicht lijkt de orde van de bastaardschorpioenen (Pseudoscorpiones) veel op die van de echte schorpioenen. Het enige wat ze met elkaar gemeen hebben zijn de scharen, voor het overige is het aantal verschillen groter dan het aantal overeenkomsten. De orde van de rolspinnen of bastaardspinnen (Solifugae) is een primitieve groep. Zij hebben een gesegmenteerd lichaam en tweeledige kaken die als grofgetande scharen zijn gevormd. Bij de rolspinnen ontbreken de boeklongen. Hun ademhaling gaat via een buizenstelsel (de tracheeën) in het achterlijf. Het lichaam en de poten zijn bedekt met grote, lange tastharen. De orde van de hooiwagenachtigen (Opiliones) is een grote groep die in verschillende subordes kan worden verdeeld die we hier niet verder behandelen. De belangrijkste kenmerken van de hooiwagens zijn de lange poten en een lichaam zonder insnoeringen die kop en achterlijf afbakenen. De orde van de mijten (Acari) is nog veel groter dan de voorgaande. Het zijn de kleinste spinachtigen variërend in grootte van 0,1 tot 30 mm. Er is geen andere groep van de spinachtigen die zich op zoveel manieren heeft aangepast aan een leven onder de meest uiteenlopende omstandigheden. De duizenden soorten kunnen parasiteren op bijna evenzoveel gastheersoorten. Tot deze groep behoren ook de teken.

De orde Ricinulei kent een aantal zeldzame spinachtigen die uitsluitend in tropisch Amerika voorkomen. De sterke bepantsering van hun rugschild bedekt de cheliceren.

De orde van de zweepschorpioenen (Uropygi) heeft een duidelijke grens tussen het kopborststuk en het gesegmenteerde achterlijf. Daaraan zit een lange, dunne gelede staart of ‘zweep’. Op de tasters staan scherpe ‘tanden’ en stekels waarmee ze flink kunnen knijpen. De zweepspinnen (Amblypygi) zijn sterk afgeplat, hebben een breed rugschild en een rond achterlijf. De poten zijn zeer lang:  het eerste paar is omgevormd tot lange ‘voelers’, de tasters zijn vergroeid tot sterke grijppoten en worden dichtgeklapt vóór de kaken gehouden. De laatste orde die we noemen is die van de Palpigradi. Deze omvat een aantal zeer kleine (circa 3 mm) dieren, met een lange zweepstaart. Ze leven in de grond en andere vochtige milieus in de warmere delen van de wereld..

 1.1.3. Subordes

 De “echte spinnen” (Araneae) vormen met 38.000 soorten nog steeds een bijzonder grote groep. De wetenschap zal de indeling nog scherper moet maken om de vogelspinnen te omschrijven. Dit wordt bereikt door weer een vergelijking te maken met de overeenkomstige eigenschappen en kenmerken. Een zeer belangrijk criterium om subordes af te splitsen is de bouw en de stand van de gifkaken. Verreweg de meeste spinnen die we kennen behoren tot de groep waarbij de basis van de gifkaken naar beneden is gericht. De uiteindes van de gifkaken (de klauwtjes) kunnen niet onafhankelijk van elkaar werken. De wolfspinnen, webspinnen en kogelspinnen behoren dus alle tot de zogenaamde Labidognatha, ook wel ‘hogere spinnen’ genoemd.

De vogelspinachtigen hebben gifkaken die naar voren wijzen en waarvan de kaken onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen. Ze vallen hierdoor onder de suborde  Orthognatha of ‘lagere spinnen’. Hoewel de gelede spinnen (Mesothelae) ook gifkaken hebben die naar voren wijzen, hebben zij een geleed achterlijf en een andere stand van de spintepels. Door deze grote verschillen rekenen we ze tot een aparte suborde.

1.1.4. Familie en subfamilie

De opdeling van de Vogelspinachtigen (Orthognatha) gaat verder in vijftien families. De Orthognatha worden soms aangeduid onder een oudere naam; de Mygalomorphae (Grieks voor ‘veldmuis-achtig’). Het zijn grote spinnen (6-12 cm lichaamslengte) met een veelal dichte beharing op het achterlijf en poten. Geen enkele vogelspinachtige maakt een web waarin het als een webspin (als bijvoorbeeld de kruisspin; Araneus diadematus) kan blijven hangen om vliegende prooien te vangen. Wel kunnen ze uit speciale spintepels draden weven die voor allerlei doeleinden worden gebruikt. Het weefsel is niet geschikt om prooien te overmeesteren, toch kunnen ze dankzij hun rag een prooidier lokaliseren. Vogelspinnen en hun verwanten overmeesteren hun prooi met de fysieke kracht van hun kaken. De verschillen tussen de families baseren zich vooral op de levenswijze en anatomie van de spinnen. Die verschillen zijn echter zo gedetailleerd dat we ze buiten beschouwing laten. Veelal letten de taxonomen op dit niveau op de beharing van de poten en kaken. In de naamgeving onderscheiden we nu vijftien families, waarvan de Theraphosidae de meeste soorten omvat die we regelmatig in cultuur aantreffen. Zelden treffen we in gevangenschap vertegenwoordigers aan van andere families. Een enkele keer, maar steeds vaker, worden valdeurspinnen (Ctenizidae) of trechtertunnel-spinnen (Atrax robustus; Dipluridae) aangeboden.

De ‘echte vogelspinnen’ (familie: Theraposidae) zijn onder te verdelen in twaalf subfamilies­ (Schmid­t, 1996) Een subfamilie is niet meer dan een extra onderverdeling waarin veel wetenschappers (auteurs) diverse opvattingen hanteren. De subfamilies omvatten weer de tientallen gegroepeerde genera en daarmee alle soorten vogelspinnen.

De indeling van vogelspinnenfamilie (Theraphosidae) in subfamilies

Subfamilie: Aviculariinae – Simon, 1874
Genera:

  • Antillena
  • Avicularia
  • Caribena
  • Ephebopus
  • Iridopelma
  • Pachistopelma
  • Psalmopoeus
  • Tapinauchenius
  • Typhochlaena
  • Ybyrapora


Subfamilie: Eumenophorinae – Pocock, 1897
Genera:

  • AnnandaliellaAnoploscelus
  • Batesiella
  • Encyocrates
  • Eumenophorus
  • Heterophrictus
  • Hysterocrates
  • Loxomphalia
  • Loxoptygus
  • Mascaraneus
  • Monocentropus
  • Myostola
  • Neoheterophrictus
  • Pelinobius
  • Phoneyusa
  • Plesiophrictus
  • Sahydroaraneus


Subfamilie: Harpactirinae – Pocock, 1897
Genera:

  • Augacephalus
  • Bacillochilus
  • Brachionopus
  • Ceratogyrus
  • Eucratoscelus
  • Harpactira
  • Harpactirella
  • Idiothele
  • Pterinochilus
  • Trichognathella


Subfamilie: Ischnocolinae –
 Simon, 1892
Genera:

Old World

  • Chaetopelma
  • Heterothele
  • Ischnocolus
  • Nesiergus

New World

  • Acanthopelma
  • Catumiri
  • Dolichothele > Holothele


Subfamilie: Ornithoctoninae –
 Pocock, 1895
Genera:

  • Citharognathus
  • Cyriopagopus
  • Haplopelma
  • Lampropelma
  • Omothymus
  • Ornithoctonus
  • Phormingochilus


Subfamilie: Schismatothelinae –
 Guadanucci, 2014
Genera:

  • Euthycaelus
  • Guyruita
  • Neoholothele
  • Schismatothele
  • Sickius


Subfamilie: Selenocosmiinae –
 Simon, 1889
Genera:

  • Chilobrachini
  • Chilobrachys
  • Haplocosmia
  • Phlogiellini
  • Orphnaecus
  • Phlogiellus
  • Poecilotheriini
  • Poecilotheria
  • Selenocosmiini
  • Coremiocnemis
  • Lyrognathus
  • Psednocnemis
  • Selenocosmia
  • Selenotholus
  • Selenotypus


Subfamilie: Selenogyrinae –
 Smith, 1990
Genera:

  • Euphrictus
  • Selenogyrus

Subfamilie: Stromatopelminae – Schmidt, 1993
Genera:

  • Encyocratella
  • Heteroscodra
  • Stromatopelma


Subfamilie: Theraphosinae  –
 Thorell, 1870
Genera:

  • Acanthoscurria
  • Aenigmarachne
  • Agnostopelma
  • Aguapenela
  • Aphonopelma
  • Ami
  • Bistriopelma
  • Brachypelma
  • Bonnetina
  • Bumba
  • Cardiopelma
  • Catanduba
  • Chromatopelma
  • Citharacanthus
  • Clavopelma
  • Cotztetlana
  • Crassicrus
  • Cubanana
  • Cyclosternum
  • Cyriocosmus
  • Cyrtopholis
  • Davus
  • Euathlus
  • Eupalaestrus
  • Grammostola
  • Hapalopus
  • Hapalotremus
  • Hemirrhagus
  • Homoeomma
  • Kankuamo
  • Kochiana
  • Lasiodora
  • Lasiodorides
  • Longilyra
  • Magulla
  • Megaphobema
  • Melloleitaoina
  • Metriopelma
  • Munduruku
  • Mygalarachne
  • Neostenotarsus
  • Nesipelma
  • Nhandu
  • Ozopactus
  • Pamphobeteus
  • Phormictopus
  • Phrixotrichus
  • Plesiopelma
  • Proshapalopus
  • Pseudhapalopus
  • Pterinopelma
  • Reversopelma
  • Schizopelma
  • Sericopelma
  • Sphaerobothria
  • Stichoplastoris
  • Theraphosa
  • Thrixopelma
  • Tmesiphantes
  • Vitalius
  • Xenesthis

Subfamilie: Thrigmopoeinae – Pocock, 1900
Genera:

  • Haploclastus
  • Phlogiodes
  • Thrigmopoeus

 

1.1.5. Genus en soort

De laatste stappen in de regels van de naamgeving zijn die van het bepalen van de uiteindelijke soort. De vogelspinnen in een bepaald taxon hebben nu zoveel overeenkomstige kenmerken dat ze onder natuurlijke omstandigheden vruchtbare nakomelingen voortbrengen.

Wanneer dat het geval is spreekt men van een soort. De soort wordt in de wetenschap met twee termen aangeduid die steeds bestaat uit de aanduiding van het genus (meervoud genera) én de soortaanduiding of epitheton. Bij elkaar vormen ze de naam van de soort of species. Soorten die veel op elkaar lijken krijgen dezelfde genusnaam. Wanneer het genus van een bepaalde vogelspin wél bekend is, maar de soort niet, wordt dit soms aangeven met de genusnaam en de afkorting sp. of spec. Wat dan zoveel betekend als: een soort (species) behorend tot het genoemde genus.

Die twee termen, genus én soortaanduiding, zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat is niet altijd zo geweest. Het was Linnaeus (1707-1778) die de in zijn tijd bekende dieren en planten voorzag van twee wetenschappelijke namen die van het Latijn of Grieks waren afgeleid. Het werd het ‘binominale stelsel’ genoemd. Voor die tijd hadden planten en dieren soms wel twintig (!) Latijnse namen. Door dit stelsel werd de verwantschap tussen soorten van een familie of subfamilie overzichtelijk en als internationale standaardregel aanvaard. Met deze erfenis van Linnaeus hebben we nog dagelijks te maken bij de indeling van vogelspinnen, maar ook bij die van alle andere dieren én planten.

Tenslotte een voorbeeld van de naamgeving van een veel gehouden krulhaarvogelspin Brachypelma albopilosum :

Stam: Arthropoda (Geleedpotigen)

   Onderstam: Chelicerata (Cheliceredragers)

             Klasse: Arachnida (Spinachtigen)

                   Orde: Araneae (echte spinnen)

                       Suborde: Orthognata (‘rechtkakigen’)

                               Familie: Theraphosidae (vogelspinnen)

                                    Subfamilie: Theraphosinae

                                           Genera: Brachypelma

                                               Soort (species) albopilosum = Krulhaarvogelspin

ondersoort (subspecies)

De soort Brachypelma albopilosum verschilt duidelijk van andere soorten van dit genus zoals Brachypelma vagans, B. smithi of B. angustum. De krulhaarvogelspin heeft een fraaie, lichtgekleurde en gekrulde beharing op de poten en achterlijf. De witte haren steken opvallend af tegen het donkerbruine tot zwarte achterlijf.

Achter de wetenschappelijke naam staat de naam van de auteur en het jaartal vermeld waarin de wijziging in de naamgeving of indeling is doorgevoerd. De auteursnaam staat tussen haakjes als de soort later in een ander taxon is ingedeeld. Bijvoorbeeld: Brachypelma albopilosum (Valerio, 1980). Op de bovenstaande wijze zijn alle bekende soorten vogelspinnen volgens internationale afspraken ingedeeld (bijlage I).

 1.1.6. Ondersoorten

Een soort kent vaak een groot verspreidingsgebied. Het gebied waarin de soort voorkomt kan doorsneden zijn door brede rivieren, steile berghellingen, bossen of andere barrières. Van dergelijke populaties zal op den duur het genetisch materiaal op uiteenlopende plaatsen in dat verspreidingsgebied gaan variëren. Soortgenoten kunnen elkaar niet meer bereiken en de populaties zullen langzaam maar zeker in hun erfelijke eigenschappen van elkaar gaan afwijken; het worden varianten. Dit uit zich vaak in een verandering van formaat, een kleurverandering of andere tekening. De veranderingen in het uiterlijk zijn heel klein en niet voldoende om onvruchtbare nakomelingen voort te brengen, ook als de isolatie van beide groepen wordt opgeheven. Met andere woorden, de verschillen tussen de geïsoleerde populaties zijn niet voldoende om de individuen tot verschillende soorten te rekenen. Ondanks de verschillen in uiterlijk behoren de dieren tot dezelfde soort.Verschillende soorten brengen na een kruising, onder natuurlijke omstandigheden, namelijk geen of hoogstens onvruchtbare nakomelingen voort. Deze regels is op sommige vlakken een wat verouderd soortbegrip. Er zijn veel kruisingen in de dierenhouderij bekend tussen afzonderlijke soorten en soms tussen soorten uit een ander genus.

Toch duiden we sommige zeer opvallende variaties aan met een wetenschappelijke term; de subspecies of ondersoort, afgekort met subsp. Er is onder de wetenschappers wederom veel discussie over de positie van de soorten, ondersoorten en varianten binnen de naamgeving van vogelspinnen.

1.1.7. Synoniemen

In de wetenschap beschikken taxonomen (‘naamgevers’) regelmatig over nieuwe gegevens over vogelspinnen. Het is volgens de afgesproken regels dan soms noodzakelijk de soort van naam te laten veranderen.Voordat het zover is zullen er voldoende argumenten moeten zijn om een naamsverandering te rechtvaardigen.Als daar eenmaal toe is besloten, zullen zoveel mogelijk betrokken instituten en instellingen hiervan op de hoogte worden gesteld. Vaak via publicaties of bijeenkomsten.Volgens de International Code of Zoological Nomenclature is een nieuwe naam alleen geldig als hij volgens de regels is gepubliceerd.Uiteraard kan een wetenschapper tijdens een bijeenkomst de aandacht vestigen op zo’n publicatie.

Aan een naamsverandering kunnen verschillende oorzaken ten grondslag liggen. De soort blijkt bij nader onderzoek niet in bepaalde groep thuis te horen door bijvoorbeeld het verkrijgen van vernieuwde kennis over gedrag, levenswijze, anatomie of erfelijke eigenschappen (overeenkomstige kenmerken!). Om verschillende redenen komen we daardoor in de literatuur oude en nieuwe namen tegen. De publicaties bedoelen echter wel dezelfde soort, in zo’n geval spreken we van een synoniem. Zo zijn diverse soorten uit genus Brachypelma verplaatst naar het genus Euathlus en kort daarna weer terug naar  Brachypelma. De kans is groot dat in veel boeken en artikelen de naam Euathlus nog uitvoerig word vermeld. Het is dan zaak goed op te letten en de recente naamgeving op te zoeken. Want om het nog ingewikkelder te maken bestaat het genus Euathlus net zo goed als Brachypelma!

Als regel mag de soortaanduiding niet meer veranderen, ook niet als de naam van het genus veranderd. Het veranderen van een soortaanduiding kan alleen als blijkt dat de vogelspin al door een eerdere ontdekking is beschreven en benoemd, dan steeds werd gedacht. Een dergelijke verandering heeft plaatsgevonden bij de goliathvogelspin (Theraphosa blondii) die voorheen met de soortnaam “leblondi” werd aangeduid totdat de eerste beschrijving van Latreille in 1804 anders bepaalde. In Tabel 2. staat een aantal synoniemen in de naamgeving van enkele vogelspinnen genera die regelmatig tot verwarring (kunnen) leiden.

Het gaat hier om genera die in hun geheel van naam zijn veranderd. Daarnaast zijn veel soorten van het ene genus naar een ander genus verhuisd.